De Marranen vieren Jom Kippoer in Amsterdam

Twee schepen dreven stuurloos op de Noordzee rond. Harde winden en een woeste zee hadden de roeren beschadigd en de schepen waren overgeleverd aan de genade van de elementen. Gelukkig werden de schepen richting de Nederlandse kust gedreven en vonden uiteindelijk een schuilplaats in een Nederlandse haven.

 

Onder de passagiers op de schepen bevonden zich tien uit Spanje gevluchte families. Zij leken Spaanse edelen te zijn, maar in werkelijkheid waren zij Marranen, Joden die ondanks de vervolgingen van de Inquisitie trouw waren gebleven aan hun geloof. Zij leken in alles op Christenen, maar in het geheim hadden zij hun Joodse geloof behouden en vierden zij de Joodse feesten.

 

Het leven in Spanje was hen onmogelijk geworden. Zij werden constant in de gaten gehouden door agenten van de gevreesde Inquisitie. Iedereen die ervan verdacht werd een Joods voorschrift in de praktijk te brengen werd op de brandstapel gebonden en levend verbrand, terwijl zijn bezittingen aan de Kerk toekwamen. Daarom hadden deze tien families schepen gehuurd en waren zij Spanje ontvlucht, op zoek naar een land waar zij in staat zouden zijn hun gehate vermomming af te gooien en openlijk en vrijelijk als Joden te leven. G‑ddelijke voorzienigheid bracht hen naar de kust van Nederland dat zich niet lang daarvoor van de Spaanse overheersing had bevrijd. Deze Joodse families hoorden tot de meest nobele en rijke in Spanje. Zij hadden het geluk dat zij een groot deel van hun bezittingen, goud, zilver, huishoudelijke goederen en koopwaar met zich mee hadden kunnen nemen.  

 

Terwijl de schepen gerepareerd werden, gingen de Marranen met hun bezittingen aan wal en huurden zij kamers in een herberg. Na een goede nachtrust maakten enkelen van het gezelschap een wandeling door de stad. Zij passeerden een slagerij waar een geslachte eend voor het raam hing, met een bord erbij waarop twee hebreeuwse woorden stonden:

     בשר כשר

 

De jongen in het gezelschap had nog nooit zulke letters gezien. “Wat zijn dat voor vreemde letters vroeg hij? “ Stil!” riep zijn vader, wiens gezicht plotseling asgrauw was geworden, alsof hij een geest had gezien.

 

Zij gingen direct naar hun kamers terug en de vader vroeg de herbergier “Wonen hier Joden en is het hun toegestaan hier in vrede te leven? “

 

“Yes Señor”, antwoordde de herbergier. “Sinds ons land het Spaanse juk twaalf jaar geleden, heeft afgeschud, is dit een vrij land. Iedereen kan hier in vrede leven en kan zijn God volgens zijn eigen geloof aanbidden.”

 

Dit was schitterend nieuws en de Señor vroeg de herbergier verder of er een rabbijn in de Joodse gemeenschap was en of hij hem misschien bij de rabbijn kon introduceren.

 

“Zeker señor. Ik zal u met plezier naar de rabbijn brengen. Hij is een sympathieke man geliefd bij iedereen. Zijn naam is rabbijn Mosje Oeri.”

 

Twee ouderen van de Marranen verspilden geen tijd en gingen direct naar hem toe. Rabbijn Mosje Oeri Ashkenazi (wat De Duitser betekent) was uit Duitsland gekomen. De kleine Joodse gemeente in de Nederlandse havenstad had hem verwelkomd en respecteerde hem voor zijn onderwijs en voor zijn vriendelijkheid aan allen. Hij ontving de twee Marranen heel vriendelijk, maar hij verstond hun taal niet. Zijn zoon Aaron echter diende als tolk.

 

“Wij hebben vertrouwelijke zaken met u te bespreken,” zeiden de Spaanse mannen, terwijl zij een verdachte blik op de jongeman wierpen.

 

“U kunt vrijuit spreken heren,“ stelde de rabbijn hen gerust. “Dit is mijn zoon Aaron”.

 

De twee Marranen vertelden de rabbijn wie zij waren en hoe zij in deze stad waren gekomen. “Wij willen naar ons geloof terugkeren en herenigd worden met ons volk”. Reeds vele jaren hebben wij ons leven gewaagd om trouw te blijven aan G‑d en aan de Tora, maar wij zijn nooit in staat geweest veel te doen onder het wakend oog van de Inquisitie. De meesten van ons weten niets van de Tora; Wij zijn niet besneden. Onze kinderen kennen niet eens het Alef-Bet. Maar het vuur van onze liefde voor G‑d brandt nog steeds in onze harten. Help ons alstublieft naar ons volk terug te keren.”

 

Rabbijn Mosje Oeri luisterde naar hun verhaal dat hem tot tranen toe ontroerde. Toen zij alles wat zij onder de schaduw van de Inquisitie ondergaan hadden, hadden verteld, antwoordde de rabbijn “ Mijn beste broeders, het is voor jullie niet verstandig om in deze stad te blijven. Er wonen hier slechts weinig Joden en jullie aankomst heeft voor veel ophef in de stad gezorgd. De mensen van het platteland staan nog erg wantrouwend tegenover Spanjaarden. Daardoor zouden wij allemaal in de problemen kunnen komen. Amsterdam is niet ver hier vandaan. Er is daar een grotere Joodse gemeente. Ga naar Amsterdam, huur kamers in de Jonkerstraat en hang een rode wimpel uit het raam. Over drie weken zal ik naar u toekomen, uw mannen en jongens besnijden en zo in het Verbond van onze aartsvader Abraham opnemen. Wij zullen u alles leren wat u moet weten over ons geloof en u zult met ons leven als broeders.”

 

De Marranen volgden het advies van de rabbijn op. Op het afgesproken tijdstip kwamen rabbijn Mosje Oeri en diens zoon Aaron in Amsterdam en gingen naar de Jonkerstraat. Daar werden zij liefdevol omhelsd door de Marranen. De briet-miela ( besnijdenis ) vond stilletjes plaats. De eerste die in het Verbond van onze aartsvader Abraham werd ingewijd, was Don Jacob Tirado, de oudste en meest nobele van hun allen. Daarna werden de mannen één voor één besneden. Rabbijn Mosje Oeri en zijn zoon leerden hen alles wat Joden moeten weten over hun geloof, hoe te bidden vanuit de Siddoer, het zeggen van de berachot, het leggen van tefillien enz. De Spaanse Joden leerden ijverig en met toewijding, tot zij de diensten van rabbijn Mosje Oeri niet langer nodig hadden. Zij stuurden berichten naar hun Spaanse broeders, familieleden en vrienden en informeerden hun in het geheim hoe gelukkig zij waren om in Holland te zijn en zij spoorden hen aan om zich ook bij hen aan te sluiten.

 

Zo groeide de Spaans-Joodse gemeenschap onder het leiderschap van Don Jacob Tirado. Zij leefden stilletjes, om niet teveel aandacht te trekken, want de angst voor de Inquisitie was nog steeds erg sterk in hun harten aanwezig. Toen kwamen de ernstige, plechtige dagen van Rosj Hasjana en Jom Kippoer. Deze Dag van Verzoening was door de Marranen in Spanje altijd in acht genomen. Zij hadden zich dan in de kelders van hun huizen verzameld om tot G‑d te bidden voor vergiffenis en hulp. Nu, terwijl zij vrij waren in Holland, was het niet nodig dit in het geheim te doen, maar toch waren zij nog steeds bang dat de lange armen van de Inquisitie zelfs tot hier zouden reiken. Daarom deden zij de deuren van hun synagoge op slot en baden tot God als nooit eerder.

 

Welnu, de buren die gezien hadden dat er zich vele Spanjaarden in een plaats achter gesloten deuren verzameld hadden en die vreemde geluiden van binnenuit opvingen, vonden dit verdacht. Zij lichtten de burgemeester van de stad in over deze geheime vergadering. Misschien werd er een complot gesmeed om het vrije Holland voor de Koning van Spanje te heroveren.

 

De burgemeester zelf leidde een peloton soldaten naar de Jonkerstraat. Hij klopte op de gesloten deuren: “Maak open, in naam van Justitie!”.

 

De gelovigen gingen bijna dood van angst. “De Inquisitie is hier!” riep iemand en er brak een vreselijke paniek uit onder de bange gelovigen. Zij begonnen uit de ramen te springen om te ontsnappen, maar de meesten van hen werden opgepakt en gevangen gezet. Alleen de eerbiedwaardige Don Jacob Tirado bleef zonder angst achter.

 

De soldaten doorzochten de sjoelruimte op zoek naar wapens, maar vonden alleen maar gebedenboeken en tallitiem.

 

“Wie zijn jullie en wat doen jullie hier zo in het geheim?” eiste de burgemeester te weten. Don Jacob Tirado legde hem alles uit. Hij vertelde hem wie zij waren en hoe zij ontsnapt waren uit handen van de verschrikkelijke Inquisitie. Nooit en te nimmer mocht de Inquisitie meer zijn klauwen naar dit vredevolle en vrije land uitstrekken.

 

Don Tirado vertelde hem verder dat het de meest heilige dag voor de joden was, Jom Kippoer en dat zij zich verzameld hadden om tot G‑d te bidden. Hij legde uit dat de angst voor de Inquisitie nog zo sterk in hun harten aanwezig was,  dat zij nog steeds in het geheim bijeen kwamen om te bidden.

 

Don Jacob Tirado verzekerde de burgemeester dat zij nuttige en vredelievende burgers waren, dat zij geen economische last voor de stad zouden zijn, maar eerder het tegendeel. Want zij hadden hun rijkdom met zich meegenomen en zij konden handel drijven ten voordele van het land.

 

De burgemeester was erg onder de indruk van de woorden van Don Jacob Tirado. Hij schudde hem de hand, verzekerde hem dat zij welkom waren en dat ook hun broeders en zusters in het vrije Holland welkom zouden zijn: “U mag Uw G‑d hier in vrijheid en zonder angst aanbidden. “Bid ook voor ons” zei hij toen hij wegging met een vriendelijke lach.

 

Het was een grootse dag voor de jonge gemeenschap van Spaanse Joden in Amsterdam. Eindelijk waren zij van hun angst verlost. Kort daarna bouwden zij een echte synagoge die de naam Beth Jacob kreeg, naar hun geliefde leider Jacob Tirado. En één van de eerste rabbijnen van de groeiende gemeenschap van Spaanse en Portugese joden in Amsterdam was de wereldberoemde rabbijn Manasje ben Jisraeel.

 

 

Het artikel is herdrukt van Talks & Tales Nederland. Het is verboden om het artikel te publiceren of vermenigvuldigen zonder toelating van Talks & Tales, Nederland. Voor een abonnement of meer informatie gelieve onze website te raadplegen: www.synagoguemaastricht.com/talksandtales