Rabbi Amnon
Deel 1
Bijna 900 jaar geleden leefde er een grootse man in de stad Mainz (Duitsland). Zijn naam was rabbi Amnon. Rabbi Amnon was een groot geleerde en een erg vrome man. Hij was geliefd en werd gerespecteerd door zowel Joden als niet-Joden en zijn naam was wijd en zijd bekend. Zelfs de hertog van Hessen, de regent van het land, bewonderde en respecteerde rabbi Amnon om zijn wijsheid, geleerdheid en vroomheid. De hertog nodigde hem veelvuldig op zijn paleis uit en consulteerde hem met betrekking tot allerlei staatsaangelegenheden.
Rabbi Amnon accepteerde nooit enige beloning voor zijn diensten voor de hertog of de staat. Zo nu en dan echter vroeg rabbi Amnon aan de hertog om de positie van de Joden te verzachten, om sommige van de decreten en beperkingen die tegen de Joden bestonden, af te schaffen en hen in staat te stellen een leven in vrede en veiligheid te leven. Dit was de enige gunst die rabbi Amnon van de hertog verzocht en de hertog had dit verzoek nooit geweigerd. Daarom leefden rabbi Amnon en zijn geloofsbroeders vele jaren gelukkig.
Deel 2
Maar helaas, de andere staatslieden van de hertog waren jaloers op rabbi Amnon. Het meest jaloers van allen was de secretaris van de hertog. Hij kon de eer en het respect dat rabbi Amnon van zijn meester kreeg, en de hechte vriendschap tussen de rabbi en de hertog niet verdragen. De secretaris begon naar wegen en middelen te zoeken om rabbi Amnon bij de hertog in diskrediet te brengen.
Op een dag zei de secretaris tegen de hertog: “Sire, waarom zou u niet proberen om rabbi Amnon te overreden Christen te worden? Ik ben er zeker van dat, gezien de eer en vele gunsten die hij door uw gulle hand genoten heeft, hij met liefde zijn geloof zal verlaten en het onze zal accepteren.”
De hertog vond dit geen slecht idee. Toen rabbi Amnon de volgende dag naar zijn paleis kwam zei hij: “Mijn goede vriend rabbi Amnon, ik weet dat je mij jarenlang loyaal en toegewijd geweest bent. Nu wil ik je een persoonlijke gunst vragen. Verlaat je geloof en wordt een goed Christen zoals ik. Als je dat doet, zal ik je de meest grootse man in heel mijn staat laten zijn; je zult eer en rijkdom als geen ander hebben. Naast mij zal jij de meest machtige man in mijn staat zijn.”
Rabbi Amnon schrok. Hij kon even geen woorden vinden om de hertog te antwoorden. Maar na enige tijd zei hij: “Oh illustere heerser! Vele jaren heb ik u trouw gediend en mijn Joods-zijn heeft mijn loyaliteit jegens u of de staat op geen enkele wijze verminderd. Integendeel, mijn geloof legt mij op om loyaal en trouw te zijn aan het land waarin ik verblijf. Ik ben bereid om alles wat ik bezit, zelfs mijn eigen leven, voor zowel u als de staat op te offeren. Er is echter een ding waar ik nooit afstand van kan doen en dat is mijn geloof. Ik ben via een onverbrekelijk verbond met mijn geloof verbonden, het geloof van mijn voorvaders. Wilt u dat ik mijn volk, mijn G‑d verraad? Wilt u dat u gediend wordt door een man die geen respect heeft voor zijn religie, voor de banden die hij het meest heilig vindt? Als ik mijn G‑d verraad, zou u er dan ooit op kunnen vertrouwen dat ik niet ook u zou verraden?” Rabbi Amnon hoopte dat met zijn antwoord de kwestie was opgelost, maar toen hij de volgende dag op het paleis kwam, herhaalde de hertog zijn verzoek. Rabbi Amnon voelde zich erg ongelukkig. Hij begon zijn bezoeken aan de hertog te verminderen en kwam alleen als het absoluut noodzakelijk was.
Op een dag zei de hertog, ongeduldig geworden door rabbi Amnons vastberadenheid, op botte wijze tegen hem: “Je moet ofwel direct Christen worden, of de gevolgen dragen als je het niet doet.” Onder druk om direct een antwoord te geven, smeekte rabbi Amnon de hertog om hem drie dagen te geven om de kwestie te overdenken. Dit stond de hertog toe.
Deel 3
Rabbi Amnon had het paleis van de hertog nog niet verlaten, toen hij zijn grote zonde besefte. “Goede G‑d” dacht hij, “wat heb ik gedaan! Ontbeer ik geloof en moed dat ik om drie dagen bedenktijd gevraagd heb? Kan er niet maar één antwoord mogelijk zijn? Hoe kon ik ook maar voor een moment een dergelijke zwakheid vertonen?! Oh genadige G‑d, vergeef mij!”
Rabbi Amnon kwam als een gebroken man thuis. Hij zonderde zich af in zijn kamer en bracht de volgende drie dagen door in gebed en nederigheid. Hij smeekte G‑d hem vergeving te schenken voor de zwakte die hij, al was het maar voor een moment, vertoond had.
Toen rabbi Amnon de derde dag niet op het paleis verscheen, werd de hertog erg kwaad. Hij gaf zijn mannen opdracht om rabbi Amnon in ketenen naar hem toe te brengen.
De hertog herkende rabbi Amnon bijna niet meer, zoveel was de eerbiedwaardige man in de laatste drie dagen veranderd. Maar, welk gevoel van sympathie de hertog ook voor zijn voormalige vriend mocht hebben, hij wuifde het weg en zei streng tegen hem: “Hoe durf je mijn opdracht naast je neer te leggen! Waarom ben je niet op tijd voor mij verschenen om mij jouw antwoord te geven? Voor jouw eigen bestwil vertrouw ik er op dat je hebt besloten te doen wat ik jou voorgesteld heb. Anders zal het je slecht vergaan!”
Hoewel rabbi Amnon lichamelijk een gebroken man was, was zijn geest sterker dan ooit.
“Sire,” antwoordde rabbi Amnon hem zonder angst,”er kan slechts één antwoord zijn: Zolang als ik adem zal ik een trouwe Jood blijven!”
De hertog was buiten zichzelf van woede. “Je bent mij ongehoorzaam geweest door niet vrijwillig bij me te komen om je antwoord te geven. Hiervoor moet je gestraft worden”
“Sire,” zei rabbi Amnon. “Door om drie dagen bedenktijd te vragen heb ik zwaar gezondigd tegen mijn G‑d. Mijn tong heeft de zonde begaan. Als ik over mijzelf mag vonnissen laat mijn tong dan uit mijn mond worden gerukt!”
Deze dappere woorden maakten de hertog nog bozer. “Voor het zondigen tegen jouw G‑d, moet Hij zelf zijn wraak nemen. Ik zal jou straffen voor het niet gehoorzamen aan mijn bevelen. Het is niet jouw tong die tegen mij gezondigd heeft, maar jouw benen. Zij hebben geweigerd naar mij toe te komen. Daarom zullen jouw benen worden afgehakt.” En helaas, zo geschiedde.
Deel 4
Nauelijks nog in leven werd het lichaam van Rabbi Amnon naar zijn huis gebracht. Het was de dag voor Rosj Hasjana.
Het nieuws over Rabbi Amnons verschrikkelijke lot verspreidde zich door de stad. Iedereen was vol afschuw en diep geschokt. Het was een erg tragische Jom Hadien (Dag des Oordeels) voor de Joden van Maintz, die de volgende dag in sjoel bijeen waren gekomen. Ondanks zijn verschrikkelijke lijden, verzocht Rabbi Amnon om hem naar sjoel te brengen. Op zijn verzoek werd hij voor de Heilige Ark gezet. Allen, mannen, vrouwen en kinderen, huilden toen zij hun geliefde rabbijn in zulke extreme pijn zagen. Nooit werden er meer intens verdrietige gebeden uitgesproken als op die dag van Rosj Hasjana.
Tijdens het Moesaf gebed gaf rabbi Amnon aan dat hij een speciaal gebed aan G‑d wilde uitspreken. Er viel een stilte over de sjoel. Rabbi Amnon begon het Oenetannè Tokef-gebed[1] uit te spreken. De gelovigen herhaalden ieder woord en hun harten gingen uit naar G‑d in gebed en in tranen. Toen werd Kedoesja gezegd, gevolgd door het Aleinoe-gebed. Bij de woorden “Hij is onze G‑d, géén ander” met alle kracht en overtuiging uitgesproken, verliet rabbi Amnon’s ziel diens aardse lichaam.
***
Het Oenesanneh Toikeff-gebed, het meest plechtige gebed van Rosj Hasjana en Jom Kippoer, wordt nog steeds in ieder Joodse gemeenschap over de hele wereld uitgesproken, en de moed van rabbi Amnon, dient als een bron van inspiratie voor ons allen.
